Begrippenlijst: B
Laatst gewijzigd: 01-01-1970A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
- Baggeren
- Het verwijderen van de organische sliblaag in oppervlaktewateren (meren, kanalen en rivieren)
- Basispakket
- Een basispakket van Programma Beheer (SN 2000) beschrijft algemene natuurkwaliteiten. Het natuurresultaat is in het algemeen omschreven als een set terreinkenmerken, waarbij in een aantal basispakketten tevens bepaalde beheersvoorschriften zijn vermeld. Het gaat hier in feite om het laagste ambitieniveau natuur
- Bedekkingsgraad
- Projectie van de vegetatie (vertikaal) als percentage van de oppervlakte van de betreffende oppervlakte-eenheid. Dit heeft betrekking op zowel kruiden, heesters als bomen. De methoden om het te bepalen zijn verschillend (via schattingen, steekproefsgewijs, statistische methoden)
- Bedrijfsdoeltype
- Het type bos dat men in de toekomst nastreeft en dat een duidelijk omschreven functie, veelal productie, heeft (wat wil men bereiken)
- Bedrijfsvorm
- In het geval van een bosbedrijf gaat het hier om de uiterlijke verschijningsvorm van het bos als resultaat van de bedrijfsvoering en beheerskeuzen die zijn gemaakt (bijv. hakhout, opgaand bos etc.) (hoe wil men wat bereiken)
- Begeleidende soorten
- Soorten met een grote tolerantie en die in meerdere associaties kunnen voorkomen
- Beheereenheid (1)
- In technische zin is een beheereenheid de kleinste aaneengesloten oppervlakte binnen een gebied waarop een zelfde beheerregime wordt toegepast
- Beheereenheid (2)
- Een beheereenheid is de kleinste aaneengesloten oppervlakte binnen een bos- en natuurterrein waarop één beheer- of landschapspakket wordt aangevraagd. Een beheereenheid bestaat volledig uit datgene wat in de pakketvoorwaarden is opgenomen (zie Subsidieregeling Natuurbeheer)
- Beheerpakket
- Een beheerpakket is een in de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN) vastgelegde omschrijving van de te behalen natuurdoelen, terreinkenmerken en beheervoorschriften; In Subsidieregeling Natuurbeheer (SN) wordt daar onder verstaan een combinatie van planten- en/of diersoorten die in een terrein voorkomen, beheervoorschriften en terreinkenmerken
- Beheerplan
- Plan waarin strategische en operationele doelen zijn geformuleerd en welke doelen de basis vormen voor de jaarlijkse werkplannen
- Bemanteling
- Het aanwezig zijn van jonge twijgjes rond de stam van jonge bomen die dienen ter bescherming tegen oververhitting en uitdroging van de bast (vooral bij beuken)
- Beschikking
- Een beschikking is een schriftelijke bevestiging waarin de subsidie-aanvraag is goedgekeurd (toekenningsbeschikking, beschikking subsidieverlening)
- Bezaaiing
- Verjonging van een opstand middels zaad van de moederopstand
- Bezettingsgraad
- Aandeel van een boomsoort in een opstand, uitgedrukt als percentage van de normale houtvoorraad
- Bijgroei
- Zie aanwas
- Bijmenging
- Boomsoort anders dan de hoofdboomsoort(en), waarbij het aandeel 2-20% van de kroonprojectie of het grondvlak is
- Biodiversiteit
- Rijkdom aan soorten en/of ecosystemen en/of complexen van ecosystemen. De definitie kan zeer breed worden geïnterpreteerd, vanaf het niveau van genen tot op het niveau van systemen
- Biomassa
- Biomassa is de massa gevormd door levende en dode biologische organismen
- Biotoop
- Verschillende omschrijvingen zoals een vegetatietype waarin een soort voorkomt, een woongebied van een groep van organismen, of een ruimtelijke eenheid met daarin een karakteristieke samenstelling van soorten
- Blessen
- Het merken van bomen die verwijderd dienen te worden. Vroeger ging dat met een blesmes, maar tegenwoordig wordt steeds vaker verf gebruikt
- Bodemprofiel
- Het geheel van een in een bodem te onderschieden horizonten (lagen) met karakteristieke kenmerken
- Boerengeriefhout
- Gebruikshout (uit boerengeriefbosjes en houtwallen), dat veelal in het verleden werd aangelegd voor de productie van hout voor afrasteringen, meubelhout, constructiehout voor schuren ed.
- Boniteit
- Maat voor de kwaliteit van de groeiplaats, uitgedrukt in Romeinse cijfers. Dit wordt bepaald door de hoogte van een boom in meters op x-jarige leeftijd.
- Boomdiameter
- Diameter van een boom gemeten op borsthoogte (1,3 m)
- Boomfase
- Fase volgend op de stakenfase, waarin de groei gericht is op de aanwas (diktegroei) en de lengtegroei afneemt. Tevens wordt deze fase gekenmerkt met het begin van bloei en vruchtvorming
- Boomvormgetal (f1,3)
- Het boomvormgetal is de verhouding tussen het eigenlijke boomvolume en de inhoud van de cilinder met een doorsneediameter op dbh en een lengte gelijk aan de boomhoogte. Het is een indicator voor de afname in diameter afhankelijk van de hoogte
- Bos (1)
- Ieder aaneengesloten bosterrein van minimaal 10 are of een rijbeplanting van meer dan 20 bomen (buiten de bebouwde kom Boswet) - of - Een min of meer natuurlijke levensgemeenschap waarin boomvormende soorten aspectbepalend zijn
- Bos (2)
- De definitie van 'bosterrein' die het Meetnet Functievervulling-bos gebruikt, is een combinatie van de Verschilende definities van bos. Dit betekent dat het om een gebied gaat waar de boomkroonbedekking meer is dan 10% en de oppervlakte groter is dan 0,5 ha. De bomen moeten een minimumhoogte hebben of kunnen bereiken van 5 meter (Dirkse et al., 1999, 2002 en 2003)
- Bosaanleg
- In de huidige context wordt onder bosaanleg vooral het bebossen van landbouwgronden verstaan, omdat vanuit het beleid bosaanleg van landbouwgronden als speerpunt wordt gezien
- Bosareaal
- bosgebied
- Bosbijproduct
- Alle producten van het bos niet zijnde hout. Men kan hierbij denken aan paddestoelen, honing, wild, vruchten etc.
- Bosklimaat
- Het microklimaat in een bos dat zich kenmerkt door minder schommelingen in vochtigheidsgraad, temperatuur en wind, en dat vooral wordt beïnvloed door de vegetatie en morfologie
- Bostype
- Bosvegetatieeenheid met een bepaalde samenstelling en structuur
- Bufferzone
- Een zone tussen een te beschermen gebied en het gebied waar de bedreiging vanuit gaat met als doel het nivelleren van negatieve invloeden van buiten. Het begrip bufferzone wordt breed gebruikt en geïnterpreteerd