Terreinkenmerken GB
Laatst gewijzigd: 15-06-2010Hieronder is per kenmerk van het bos of het bosbedrijf een concrete indicatie aangegeven van de waarde die in het kader van Geïntegreerd Bosbeheer wordt nagestreefd. Let wel: het gaat hierbij niet om harde eisen, maar om indicaties die bedoeld zijn om de inhoud van het begrip Geïntegreerd Bosbeheer helder te maken.
Wanneer u klikt op een bepaald kenmerk, verschijnt de beschrijving van de indicatiewaarde. De betekenis van voor u onbekende termen kunt u opzoeken in de begrippenlijst. De kenmerken:
- Inheemse boomsoorten
- Menging
- Leeftijdsverdeling
- Gelaagdheid
- Stabiliteit en vitaliteit
- Schaal verjonging
- Kwaliteit verjonging
- Kwaliteitsbomen (K- bomen)
- Recreatiebomen (R- bomen)
- Natuurbomen (N- bomen)
- Bijgroei en houtvoorraad
- Dood hout
- Bosranden
- Flora, vegetatie en fauna
Inheemse boomsoorten
Er wordt gestreefd naar opstanden met een behoorlijk aandeel inheemse boomsoorten, bij voorkeur 30-35% van de bosoppervlakte of meer (voor FSC-certificering minimaal 50%) en bij voorkeur boomsoorten die tot de Potentieel Natuurlijke Vegetatie (PNV) behoren op de desbetreffende groeiplaats. Dit criterium sluit niet uit dat hier en daar opstanden kunnen voorkomen met vrijwel uitsluitend uitheemse boomsoorten.Menging
Er wordt gestreefd naar gemengd bos, bij voorkeur op minimaal 50% van de bosoppervlakte. Gezien de huidige situatie met veelal weinig menging is dit vaak een doel voor de lange termijn. Gemengd bos wordt gedefinieerd op opstandniveau: een opstand waarbinnen maximaal 80% van de bosoppervlakte wordt ingenomen door één boomsoort.
Leeftijdsverdeling
Bij Geïntegreerd Bosbeheer wordt gestreefd naar variatie in leeftijd: afwisseling van recente verjongingsplekken, jong bos, bos in ontwikkeling en oud bos met dikke bomen. Als indicatie wordt uitgegaan van minimaal 30% oud bos (ca. 90 jaar en ouder), minimaal 20% bos in ontwikkeling (ca. 40 – 90 jaar) en minimaal 15% jong bos (< 40 jaar).Gelaagdheid
Gelaagd bos (kronendak met daaronder tweede boomlaag en/of struiklaag) is alleen van toepassing op oudere bosgedeelten (ca. 40 jaar en ouder). Gelaagd bos wordt gedefinieerd als het oppervlakteaandeel (bedekkingpercentage) van de tweede boomlaag/struiklaag. Er wordt in de oudere bosgedeelten (ca. 40 jaar en ouder) gestreefd naar een aanzienlijk aandeel gelaagd bos, afgewisseld met niet-gelaagd bos (doorzicht). Als indicatie wordt uitgegaan van minimaal 30 - 35% gelaagd ouder bos.Stabiliteit en vitaliteit
Bij Geïntegreerd Bosbeheer wordt gestreefd naar stabiel, vitaal bos. De kleinschalige, gevarieerde bosstructuur en de gevarieerde bossamenstelling die bij Geïntegreerd Bosbeheer horen, leiden min of meer vanzelf tot bos met een goede stabiliteit. De verstoring door storm en insecten- en schimmelaantastingen is hierin, in vergelijking met monocultures, minder en kleinschaliger. Door goed op deze verstoringen en op de bosvitaliteit in te spelen, kunnen hiermee andere gewenste terreinkenmerken worden gerealiseerd, zoals verjongingsgroepen en dood hout.Schaal verjonging
Geïntegreerd Bosbeheer is gericht op een bos met kleinschalige structuur, die aansluit bij een natuurlijk patroon (bosmozaïek). De boseigenaar kan invloed uitoefenen op dit patroon via de schaal waarop hij het bos verjongt. Uitgangspunt is groepsgewijze verjongingskap. Afhankelijk van de te verjongen boomsoorten, zal de gewenste omvang van een verjongingsgroep variëren. Meestal varieert de doorsnede van de groep van 1 maal (kleine groep) tot 3 maal (grote groep) de eindhoogte van het bos. Dit komt overeen met ca. 25 x 25 tot 75 x 75 m, 0,05 tot 0,45 ha. Maar bij enkele boomsoorten kan bewust voor een ander schaalniveau worden gekozen. Bijvoorbeeld een verjongingsvlakte tot ca. 1 ha voor de verjonging van pionierboomsoorten grove den en berk, of juist kap van individuele bomen (uitkapsysteem) en gebruik van verjonging onder scherm bij beuk.
Kwaliteit verjonging
Bij Geïntegreerd Bosbeheer wordt gestreefd naar verjonging die uiteindelijk leidt tot gemengd bos met een aantal (hout)kwaliteitsstammen erin. Hierop aansluitend moet de verjonging kwalitatief voldoen aan eisen op het gebied van dichtheid (stamtal) en menging.
Om (hout)kwaliteitsstammen te krijgen, is het van belang dat de jonge boompjes opgroeien in een dichte stand. Als richtlijn kan gelden: ten minste driekwart van de oppervlakte van een jong bosgedeelte is binnen 5 – 8 jaar na de verjongingskap in sluiting.
Gemengde verjonging (mengingsaandeel minimaal 20%) is uitgangspunt bij Geïntegreerd Bosbeheer. Menging is - vooral in kleine verjongingsgroepen - echter niet altijd nodig. Een ongemengde, kleine verjongingsgroep in een opstand met andere boomsoorten zal bijvoorbeeld bijdragen aan de ontwikkeling van een gemengd bos.
Kwaliteitsbomen (K-bomen)
Bij Geïntegreerd Bosbeheer ligt het accent bij de houtproductiefunctie meer op kwaliteit dan op kwantiteit. Kwaliteitsbomen zijn bomen met goede potenties voor houtproductie: recht, fijn betakt, onderste 6 m takvrij, vitaal, geen stambeschadigingen. Wanneer alleen sprake is van een houtproductiefunctie, moeten in de bosgedeelten waarin gedund wordt (vanaf ca. 25 jaar) per ha ca. 70 tot 100 kwaliteitsbomen aanwezig zijn. Bij Geïntegreerd Bosbeheer ligt dit aantal lager. Indicatie: minimaal 40 – 50 kwaliteitsbomen per ha, waarvan de kroon voldoende vrij staat om zich goed te kunnen ontwikkelen.
Recreatiebomen (R-bomen)
Recreatiebomen vervullen een recreatieve functie. Dit zijn bijvoorbeeld opvallende markante bomen met een grillige stam en kroon, afwijkende boomsoorten, bijzonder dikke bomen of speelbomen. Ze dragen bij aan de belevingswaarde van het bos (onder andere oriëntatiepunten). Ze staan op plekken waar de recreant ze goed kan zien. Als richtlijn voor Geïntegreerd Bosbeheer geldt dat gestreefd wordt naar één of enkele markante bomen per ha, die grotendeels vrij staan, zodat de boom opvalt en de kroon de ruimte heeft om zich goed te kunnen ontwikkelen.
Natuurbomen (N-bomen)
Natuurbomen vervullen een natuurfunctie. Dit zijn bijvoorbeeld oude dikke bomen met veel holten, nestbomen voor roofvogels, spechten, vleermuizen etc., autochtone bomen, etc. Als richtlijn voor Geïntegreerd Bosbeheer geldt dat nestbomen zo veel mogelijk gespaard worden bij vellingen.
Bijgroei en houtvoorraad
De hoeveelheid hout die er jaarlijks per ha in het bos bijgroeit, bepaalt hoeveel er duurzaam geoogst kan worden, en is dus van belang voor de houtproductiefunctie. Zoals gezegd ligt bij Geïntegreerd Bosbeheer het accent bij de houtproductiefunctie meer op kwaliteit dan op kwantiteit, en dus niet op het creëren van bos met een hoog bijgroeiniveau. Wel zal over het algemeen meer gebruik gemaakt worden van hoogproductieve boomsoorten naarmate de houtproductiefunctie binnen het Geïntegreerd Bosbeheer op een bosbedrijf meer prioriteit heeft.
Bij Geïntegreerd Bosbeheer is geen sprake van een streven naar een hoge of juist een lage houtvoorraad. De houtvoorraad is een boskenmerk dat een afgeleide is van andere kenmerken die wèl nagestreefd worden, zoals:
-aandelen oud en jong bos (zie leeftijdsverdeling),
-voldoende licht in het bos voor de ontwikkeling van een struiklaag en tweede boomlaag (zie gelaagdheid),
-voldoende vrije kroonruimte voor de ontwikkeling van vitale dikke kwaliteitsbomen (zie kwaliteitsbomen).
Dood hout
Bij Geïntegreerd Bosbeheer wordt gestreefd naar een substantieel aandeel van vooral dikke dode bomen in het bos. Inheems dood hout en afwisseling van staande en liggende dode stammen heeft de voorkeur. Een groot aantal plant- en diersoorten is hieraan gebonden: dood hout is essentieel voor de natuurwaarde van het bos. Als richtlijn kan – aansluitend op SN 2000 en de FSC-criteria – een minimum van 4 dikke dode stammen per ha over 70% van de bosoppervlakte worden aangehouden.
Bosranden
Bij Geïntegreerd Bosbeheer wordt gestreefd naar een substantieel aandeel brede, gevarieerde bosranden, zowel aan de buitengrenzen van het bosgebied, als langs open plekken (heide, vennen, ect.) binnen het bosgebied. Deze leveren een belangrijke bijdrage aan de natuurfunctie, maar ook aan de recreatiefunctie (belevingswaarde). Goed ontwikkelde, geleidelijke bosranden bezitten de grootste soortenrijkdom aan wilde dieren en planten van het gehele bosgebied. Zowel typische bossoorten (waaronder veel oud-bosplanten), als soorten van het open veld en bosrandsoorten komen hierin voor. Een goed ontwikkelde bosrand bestaat uit een zoom met kruidachtige plantensoorten en een mantel waarin struiken domineren. Als richtlijn kan worden aangehouden: minimaal over 30% van de bosrandlengte (zowel buiten- als binnenranden) en over 10% van de padlengte een 5 tot 15 m brede bosrand met zoom en mantel.
Flora, vegetatie en fauna
De bovengenoemde kenmerken van het geïntegreerde bos leiden tot gunstige randvoorwaarden voor de ontwikkeling van een gevarieerde bosvegetatie- en fauna. Via deze weg streeft het Geïntegreerd Bosbeheer naar instandhouding en eventueel uitbreiding van populaties van bijzondere plant- en diersoorten (met name zeldzame en bedreigde soorten).